Vijf jaar lang corrigeerde ik boeken voor verschillende uitgeverijen. In totaal passeerden mij iets meer dan honderd verhalen. Laat ik zeggen twintig per jaar. Meer dan anderhalf per maand. Vaak werkte ik daar met veel plezier en voldoening aan. Ik las titels uit die ik normaal na de eerste pagina’s zou wegleggen, om nu toch over allerlei interessante zaken te lezen die ik anders had misgelopen. Ik heb gelachen om persoonlijke verhalen (wanneer dat de bedoeling was) en zat huilend achter mijn laptop (in deze positieve gevallen omdat het me raakte). Genoot van de strepen die ik zette en verbeteringen en suggesties die ik deed. Soms met het tijdelijke en misplaatste superioriteitsgevoel van een vrijwillige bondscheidsrechter. Met als groot voordeel dat ik zelf niets hoefde te doen met dat waarvoor ik op mijn fluitje blies. Dit was meer zoals met de rijkelijk belegde onmogelijk netjes te eten broodjes die ik ooit over de toonbank schoof bij een bijbaantje: alsjeblieft, ik weet niet hoe je dit gaat doen maar jij liever dan ik en succes ermee. Al hoopte ik bij mijn latere werk wel iets harder dat alles naar wens en geen zooitje was.
Tegenover de positieve ervaring stonden ook irritatie en frustratie. Soms over de schrijfstijl (iedereen z’n voorkeur). Meningen die als feiten werden gebracht (vind ik heel vervelend en gevaarlijk). De bijna altijd gelijke formule van spicy romans (…). En vooral ook de hoeveelheid tijd die ik erin stak en hoe weinig ik ermee verdiende. Daar kwam het afgelopen jaar een nog belangrijker punt bij: het feit dát ik er mijn tijd aan besteedde. Want waarom was ik alwéér bezig met het beter maken van het boek van iemand anders in plaats van dat van mezelf? Juist… Het werd me steeds duidelijker dat ik die tijd veel liever in mijn eigen creatie wilde steken. Met alle respect voor de boeken van anderen, waarvan overduidelijk al (of bijna) een fysieke versie bestond. Vaak genoeg zelfs al meerdere vertalingen of titels. Mijn werk aan hun boek kon iedere corrector doen. Mijn boek kan alleen ik schrijven.
Uiteraard ging ik eerst nog maanden op dezelfde manier door. Tot de drang om voor mijn boek te kiezen het de laatste weken overnam. Twee weken terug maakte ik eindelijk de keuze. Gisteren leverde ik mijn laatste gecorrigeerde proef in. Voor nu. Ik kwam namelijk al eerder terug als corrector. Maar nu even niet. Nu is het tijd voor míjn boek. Zodat daar ook een finale en gedrukte versie van komt.
Nu kan ik mijn uren besteden aan het schrijven van de laatste hoofdstukken (ja, nog steeds), herschrijven, het laten proeflezen, veel onmogelijk belegde broodjes wegwerken, herschrijven, nog een controleronde, nog eens herschrijven en een laatste keer controleren en corrigeren. Zoiets. Als ik dit zo uitschrijf, ben ik des te blijer met mijn beslissing.
Het zal een kunst zijn om bij het corrigeren van mijn eigen boek te doen alsof ik het verhaal voor het eerst lees. Als een buitenstaander. Ik vraag me af of dat überhaupt mogelijk is. Ik vraag me af waarom ik me dat überhaupt afvraag; dat kan toch niet? En misschien hoeft het ook helemaal niet. Ik zal het snel genoeg ontdekken. Nu heb ik tijd en ben ik overal verantwoordelijk voor: de fouten callen en de actie ondernemen, en daarbij zelfs de verontwaardigde of tevreden speler uithangen. Het broodje maken en het broodje eten.
Het klinkt als veel werk en als alles waar ik soms het liefst van wegvlucht, maar bijzonder genoeg verheug ik me erop. En ik denk dat ik het kan, een groot deel ervan in elk geval.
Vijf jaar terug had ik het niet zo gekund als nu. Al dat corrigeren en de antwoorden op de vragen die ik mezelf en de bureauredacteurs stelde, hebben me onwijs veel geleerd. Mijn werkzaamheden in de boekenbranche behoren dan misschien tot de minder goed betaalde; mijn ervaringen blijken voor mijn doel onbetaalbaar. Daar ga ik mijn voordeel mee doen.

Geef een reactie